Het lot van licentieovereenkomsten bij faillissement licentieverlener

Bij faling stelt zich steeds de vraag naar het lot van de contracten die de gefailleerde gesloten heeft. Zeker de partij die  een bepaalde technologie of een belangrijke software in licentie genomen heeft   zal zich zorgen maken als ze verneemt dat de licentieverlener failliet is. De regel voor overeenkomsten in het algemeen is dat de curator na het faillissement kan beslissen een einde aan de lopende overeenkomst te maken (art; 46 Faill. W.). In dat geval zal de wederpartij weliswaar aanspraak kunnen maken op de vergoeding van de schade die ze lijdt als gevolg van de vervroegde opzegging, maar deze vordering zal maar voldaan worden in de mate dat het actief van de gefailleerde vennootschap dit toelaat en nadat de bevoorrechte schuldeisers zijn uitbetaald. Het is duidelijk dat deze schadevergoeding maar een magere troost zal zijn. Dit zal des te meer het geval zijn omdat de door de licentienemer geleden schade dikwijls onrechtstreekse schade zal zijn (gederfde winst, verliezen in de bedrijfsvoering) die moeilijk te bewijzen is en waarvan de vergoeding ook vaak contractueel uitgesloten is.

In de rechtsleer wordt het recht van de curator de lopende overeenkomsten te beëindigen echter tussen haakjes gezet indien deze overeenkomsten de schuld van de failliete boedel niet kunnen doen toenemen. Een typisch voorbeeld daarvan zijn huurovereenkomsten waarbij de gefailleerde de verhuurder is. De essentiële verplichting van de verhuurder is het gedogen van de bezetting door de huurder wat de schuld niet doet toenemen. Het recht van de curator  lopende overeenkomsten te beëindigen heeft precies tot doel verdere toename van de schuld te voorkomen zodat het niet van pas komt wanneer er geen schuldtoename is. De verhuurder kan evenwel door de huurder niet aangesproken worden voor zijn bijkomstige verplichtingen die de schuld wel doen toenemen, zoals het onderhoud. Dezelfde redenering wordt verdedigd voor licentieovereenkomsten, op voorwaarde dat deze overeenkomsten aan derden tegenwerpelijk zijn. Voor octrooi- en merkenlicenties zou dit betekenen dat deze overeenkomsten geregistreerd dienen te zijn. Voor intellectuele eigendomsrechten die niet op een depôt gebaseerd zijn (auteursrechten) is de situatie minder duidelijk.

Deze uitzondering op het beëindigingsrecht van de curator lijkt heel aannemelijk maar wordt voornamelijk gepromoot door de rechtsleer. In de context van de huurovereenkomsten (pacht) heeft een arrest van het Hof van Cassatie van 10 april 2008 er enig voorbehoud bij gemaakt. Indien de overeenkomst gesloten door de gefailleerde de vereffening van de boedel belet of abnormaal bezwaart, kan de curator ze beëindigen, zelfs wanneer door die overeenkomst rechten worden verleend die aan de boedel tegenwerpelijk zijn. De curator draagt echter de bewijslast.

Hoewel in veel van de courante rechtstelsel een gelijkaardig regeling bestaat is ook daar voorzichtigheid geboden. In Nederland heeft de Hoge Raad recent geoordeeld dat een uitzondering op het beëindigingsrecht van de curator slechts kan in de door de wet uitdrukkelijk geregelde gevallen.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Duur en Beëindiging, intellectuele eigendom

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s