61. Kan een partij die een contractuele verplichting niet uitoefent zich verweren door te stellen dat de wederpartij een contractuele verplichting die op haar rust niet nakomt zelfs als deze uit een andere overeenkomst vloeit? Het hof van beroep in Antwerpen meent van wel indien er zowel tussen de twee overeenkomsten als tussen de twee verbintenissen voldoende samenhang is.
Een partij bij een wederkerige overeenkomst kan ervoor kiezen haar verplichting niet na te komen indien de andere partij reeds in gebreke is haar verplichting na te komen. Dit is het verweer van niet-uitvoering (exceptio non adimpleti contractus). Voor het inroepen van het verweer van niet-uitvoering is het vereist dat er samenhang bestaat tussen de twee verplichtingen. Er zal altijd samenhang zijn tussen verplichtingen die elkaars tegenprestatie zijn. Wat indien partijen, in het kader van een ruimere transactie, verschillende samenhangende overeenkomsten met elkaar gesloten hebben, waarbij ze over en weer verbintenissen zijn aangegaan? Het hof van beroep te Antwerpen sprak zich daar onlangs over uit naar aanleiding van een betwisting tussen partijen inzake de overdracht van de aandelen in een onroerend goed vennootschap, gekoppeld aan de overdracht van een handelszaak en een huurovereenkomst (beiden gelocaliseerd in hetzelfde onroerend goed).
Tussen twee verbintenissen die voortvloeien uit onderscheiden overeenkomsten kan een voor de toepassing van het verweer voldoende samenhang bestaan indien die overeenkomsten volgens de bedoeling van de partijen een onlosmakelijk geheel vormen. Er moet daartoe samenhang ‘in de tweede graad’ zijn: er moet samenhang zijn tussen de overeenkomsten en er moet samenhang zijn tussen de verbintenissen. Deze samenhang kan aangetoond worden aan de hand van (kruis)verwijzingen in de overeenkomsten of door het feit dat de uitvoering van de ene overeenkomst materieel mogelijk wordt gemaakt door het bestaan van de andere overeenkomst. Het hof besloot uiteindelijk niet tot het bestaan van samenhang, o.m. op grond van de overweging dat de overeenkomsten onafhankelijk van elkaar konden uitgevoerd worden. (Antwerpen, 29 juni 2007, R.W. 2009-2010, p. 105, met noot J. De Coninck).