Informatieplicht


60. Een arrest van het hof van beroep van Brussel 14 maart 2008 is voor Bart Van Den Bergh aanleiding om in een recent nummer van het T.B.B.R. (2009/7, p. 366), nog eens vrij gedetailleerd  en systematisch over de informatieplicht van partijen bij een handelsovereenkomst te gaan. Daarin wordt de plicht geschetst van de partijen om zichzelf te informeren en om informatie aan de wederpartij te verstrekken. Er wordt ook in nagegaan wat die plicht kan betekenen voor de schadevergoeding die partijen kunnen eisen en wat de gevolgen van bedrog zijn.

De aanleiding tot het arrest is rijk aan couleur locale.  De uitbater van een frietkot laat zijn zaak over. Het frietkot staat op het gemeenteterrein, naast de gemeenteschool (en men kan vermoeden: bij de kerk). Het is niet duidelijk of het louter gedoogd werd, dan wel of er een concessie was gegeven. De overnemers laten na zich hierover te informeren. Twee weken voor het sluiten van de overeenkomst van overdracht ontvangen de overdragers van de gemeente een brief waarin de uitbreiding van de gemeenteschool wordt aangekondigd op de plaats van het frietkraam. De overdragers stellen de overnemers hiervan niet op de hoogte. Het hof merkt eerst op dat een normaal voorzichtige overnemer zich zou geïnformeerd hebben over zijn recht om de plaats waarop het kraam stond te (blijven) bezetten. Het verzwijgen door de overdragers van de brief die ze van de gemeente ontvangen hadden wordt echter als bedrog gekwalificeerd en de overdragers worden veroordeeld tot het vergoeden van de schade die vastgesteld  wordt op het verschil tussen de betaalde prijs en de prijs die de overnemers bereid zouden geweest zijn te betalen hadden ze de plannen van de gemeente gekend. Het is een interessant detail dat voor het bepalen van deze laatste fictieve prijs het hof niet bereid is uit te gaan van een lange duur van de concessie of het gedogen aangezien er geen zekerheid was dat de standplaats, ook zonder de bouwplannen van de gemeenteschool, nog lang beschikbaar zou zijn.

 

In zijn commentaar vestigt Bart Van Den Bergh er de aandacht op dat het uitgangspunt is dat elke partij zichzelf informeert. Het is pas wanneer het voor een partij niet redelijk is eigen informatie in te winnen dat de informatieplicht van de andere partij om de hoek komt kijken. Wanneer dat precies gebeurt zal telkens afhangen van de specifieke omstandigheden van een zaak. Een professionele partij of een partij die specifieke voorkennis heeft zal eerder tot een informatieplicht gehouden zijn dan een andere partij.

 

Een partij bij een overeenkomst kan zich op haar dwaling beroepen om hetzij een schadevergoeding te bekomen hetzij ontbinding van de overeenkomst. Daartoe moet de dwaling ‘verschoonbaar’ zijn en dat zal ze niet zijn indien de partij die ze inroept zelf tekort heeft geschoten aan haar plicht zich te informeren. De lat ligt daarbij niet zo hoog dat het volstaat dat een partij theoretisch tot een bepaalde informatie toegang had, de vraag is eerder of een normaal voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden naar de informatie op zoek zou zijn gegaan.

 

Indien de dwaling veroorzaakt wordt door, opzettelijk of niet, onvolledige of onjuiste informatie van de wederpartij, dan zal dit een aanwijzing zijn dat de dwaling verschoonbaar is.  Indien beide partijen nalatig zijn geweest dan dient er een afweging te gebeuren tussen beide fouten. Volgens de klassieke stelling zal er voor een dergelijke afweging geen plaats zijn indien de wederpartij bedrieglijk informatie heeft overgemaakt of achtergehouden. In dat geval zal de dwaling steeds verschoonbaar zijn, zelfs indien de ontvanger van de informatie zelf niet zorgvuldig geweest is.

 

Het zwijgen van een partij die een plicht tot spreken heeft zal als bedrog gelden indien die partij opzettelijk zwijgt met de intentie de tegenpartij te doen dwalen. Dit zal zo zijn indien de zwijgende partij beseft (of moest beseffen) dat het verzwegen element in de overeenkomst bepalend is voor de toestemming van de andere partij. Om te bepalen of een stilzwijgen al dan niet bedrog uitmaakt moet de rechter achtereenvolgens vaststellen dat (1) er een spreekplicht bestaat; (2) de zwijgende partij weet dat het verwegen element de toestemming van de andere partij kan beïnvloeden en (3) de toestemming van de wederpartij effectief door het verzwegen element werd beïnvloed.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Aansprakelijkheid, Recent gelezen

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s